De fles

fles

Hij was mij ineens zo maar aangereikt in de wirwar van deze drukke, zomerse braderie. Hij was ook zo weer verdwenen en ik keek naar de fles in mijn handen. Helder glas met grijs zand erin. Ik draaide de dop eraf. Het rook zurig, maar niet onprettig. Er zat ook een etiket op: jenever bijvoegen, drie weken laten staan, af en toe schudden, filteren voor gebruik. We moeten ook nog naar de slijter, zei ik tegen A.

Ik plaatste de fles op een donker plekje bovenop de keukenkast en schudde elke dag. Na een week was de inhoud lichtgeel en er dreven brokken en takjes in. Na drie weken was het dan zo ver. Het was een bruine substantie geworden die het midden hield tussen vochtige rioolrestanten en de urine van een ernstig zieke nierpatiënt. Gadverdamme, zei A. Maar het rook lekker. Hup door de koffiefilter, rechtstreeks in het kristal.

Weet je het zeker? vroeg A. Tuurlijk zei ik en pakte mijn mooiste borrelglaasje. Ik zette de karaf  op de keukentafel met de dop ernaast, misschien wilde ik zo nog een glaasje. Nou daar gaat ie, zei ik nog. En daar ging ik, subiet door de knieën en via de tafel en een stoel naar de grond. Paniek. Hoewel ik er blozend en met een gelukkige glimlach bijlag, besloot A. toch de hulpdiensten te bellen, want op roepen of schudden gaf ik geen krimp.

Twee broeders in groene pakken met de ambulance voor de deur. Zo mevrouw, even kijken, zei broeder 1 die kennelijk de baas was. Pols voelen, suiker prikken. Dan maar een hartfilmpje. Tegenwoordig hebben ze alles bij zich. Broeder 2 assisteerde ijverig. Mijn hart klopte rustig en krachtig, als met nog zeker vijftig jaar te gaan. Het zit in zijn hoofd, zei broeder 2, maar een encefalogram konden ze hier op de keukenvloer niet maken. Zo gezond als een vis zei ook de baasbroeder en wees naar de karaf. Had hij hieruit gedronken? Hij trok de dop eraf en hield het erfstuk onder de neus. Hij glimlachte en zakte weg. Zijn collega kon hem nog net op de stoel manoeuvreren en op zijn plaats houden, terwijl hij zijn baas zachte klapjes op de wang gaf. Die kwam snel bij. Heerlijk, zei hij.

Ondertussen was het mij niet minder vergaan. Ik was weliswaar buiten westen, maar dat was helemaal niet erg. Want alles was mooi en ik kon ook nog vliegen. Op het plein stonden alle voordeuren open en de mensen riepen naar me dat er koffie en gebak was. In straten en op pleinen lachten alle mensen. Zij riepen dat liefde het belangrijkste was en vielen elkaar om de hals. In Den Haag waren alle dubieuze voor geheim politiek overleg ingerichte achterkamertjes omgebouwd tot frisse logeerkamers voor ontheemden en asielzoekers. Er doorstroomden mij allerlei prachtige gevoelens en ik wist hoe alles eigenlijk moest zijn.

Nadat de broeders alles weer in de eerste hulp koffer hadden opgeborgen, had de baasbroeder nog één truc achter de hand: een flesje vlugzout dat mij direct de ogen deed openen. Hè hè, zei broeder 2 en in een ongelukkige poging om de fles in zijn tas te stoppen – voor nader onderzoek, u krijgt hem terug, hoor – viel het familiekristal op de keukenvloer in duizend stukken uiteen. Met zijn vieren bleven we vanwege de heerlijke dampen nog zeker tien minuten wazig voor ons uit kijken. Daarna vertrokken de broeders. Zo, zei A., dat was dat.

Als het weer zomer is slenter ik nog wel eens over de braderie in de stad. Altijd vaag gespitst op de onbekende die mij ooit die fles had aangereikt. Sommige figuren zouden het kunnen zijn geweest, maar ik kreeg van niemand iets. Het was dus eenmalig geweest, maar ik zal er de rest van mijn leven naar blijven verlangen. Dit elixer dat de wereld kon redden.

 

Naar de beurs

Op vrijdag 13 februari zat ik tegenover de beambte van de Kamer van Koophandel, waar ik de geboorte van mijn nieuwe commerciële activiteit kwam aangeven. ‘Weet u het zeker,’ vroeg hij, ‘dat ik de oprichtingsakte op vandaag dateer?’ Ik ben eerder goed- dan bijgelovig, dus ik vond het best.

Ik kreeg een inschrijvings- en een BTW-nummer op papier mee. ‘Nou meneer, gefeliciteerd.’ Toen ik weer op straat stond had ik het gevoel dat er een nieuwe wereld voor me was geopend. Ik ben van 1945, dus het werd eens een keer tijd dat ik serieus in zaken zou gaan. Thuis zei ik tegen A. dat ik nu directeur-eigenaar van de nieuwe zaak was, maar dat maakte minder indruk dan ik gehoopt had.

Een tweede hoogtepunt deed zich voor op 1 april. Over het eerste kwartaal moest ik aangifte doen voor de omzetbelasting. Maar eerst had ik, behalve aan het generen van omzet, hard gewerkt aan het opzetten van een eenvoudige boekhouding. Bankboek, kostenrekeningen, saldibalans en verlies en winst. Het internet leerde me weer wat rechts of links moest.

Het elektronische belastingformulier gaf aan wat ik moest afdragen, hetzelfde bedrag dat ik mijn boekhouding al zeker tien keer had laten uitrekenen: 29 euro. Eigenlijk iets meer, maar het formulier rondde het af. En wat een wereld zat er achter die 29 euro! Ik had meer omzet dan kosten gemaakt. Met plezier had ik deze kosten gemaakt, een balpen, inktpatronen en een pak papier. Ik boekte het allemaal in, blij dat dit de winst zou drukken en dat ik hierover nooit belasting zou betalen.

Ik werkte hard, niet alleen aan het verdienen van geld, maar ook aan het urenlang in elkaar knutselen van ‘briefpapier’, website en visitekaartjes. Denkend aan de romans van Elsschot, wist ik af en toe het bewustzijnsvernauwend effect van mijn handelswijze enigszins te beperken, maar over het algemeen was ik er erg vol van. Ik ben een zakenman, een entrepreneur!

Ik zal het sterker vertellen: vannacht ging ik naar de beurs. Alles was heel goed voorbereid en de beursgang zou een eclatant succes worden. In één klap zou het grootste deel van het inmiddels opgebouwde gigantische eigen vermogen worden omgezet in vreemd vermogen. Het zou me schatrijk maken. Zoveel had ik er wel van begrepen.

Hoe het precies in zijn werk ging wist ik niet, dus op de dag van de emissie ben ik maar naar het beursgebouw gegaan. Ik zag champagne klaar staan en kon me nauwelijks voorstellen dat het voor mij zou zijn. Waren er vandaag meer beursgangen? Ik wist het niet, wel was daar Gerrit Zalm en andere figuren uit de grote geldindustrie. Maar de meeste mensen waren beursklerken die van alles deden terwijl ze voortdurend naar grote beeldschermen tuurden.

De bel ging en de handel begon. Iemand legde mij uit waar ik de prijsontwikkeling van mijn aandeel kon volgen. Het knipperde lang op eenzelfde bedrag. ‘Komt wel, wacht maar,’ zei de beursbeambte.

Zalm knipoogde lachend naar me en de directeur van de beurs kwam mijn bankrekeningnummer vragen. ‘Ja, ja, meneer Heine, we gaan vandaag nog storten.’

Iemand ging aan de bel hangen en nu ging de champagne rond. ‘Gefeliciteerd Heine.’ Ik was in de kring opgenomen van de groten van Nederland, van de mensen die ertoe deden, die het verschil maakten. 

De volgende dag rekende ik vast uit wat tot nu toe de resultatenwaren van het nieuwe kwartaal. Dat viel een beetje tegen. A. vroeg of ik nog koffie wilde.

‘Het zal wel beter worden,’ zei ik tegen A. ‘Natuurlijk,’ zei ze, ‘of het nou van veel of weinig is, je bent en blijft directeur-eigenaar.’

 

 

 

 

 

Ik ben de grond

 

(Prozagedicht n.a.v. Remembrance  of Poppies Day)

Het is nu al zo lang

dat niemand weet wat in mij ligt.

Al doe ik zo mijn best.

Het gras is groen,

de bloemen kleur ik rood en geel.

En zo nodig laat ik hoog de bomen groeien.

Ze komen en ze gaan.

Ik ben de grond.

Ooit liet men hier iets achter,

de tijd deed het in mij verdwijnen.

Niemand die iets zag of voelde.

Ik ben de grond.

Totdat vandaag er iets gebeurde.

Een meisje  knielde aan mijn voeten.

Eerst plukte zij wat bloemen,

maar volgde plots een mier.

En  toen het miertje in mij kroop,

greep zij haar schep en wroette in mij rond.

Waar was haar kleine vriend?

Volledig er in opgaand schepte zij stevig door.

Totdat ze stuitte op iets hards.

Het bleek een blik van ijzer,

met deksel en scharnier.

Behoedzaam maakte zij het open.

Er viel een foto uit.

Ik ben de grond.

Haar schepje liet ze achter

en ging van tuin naar huis.

Wie was die man,

was dat nou een soldaat?

Haar moeder keek verrast

en vertelde aan het kind:

“Die man, dat is nou opa

en ook mijn papa, weet je nog?”

Er viel een traan.

“Wij kennen opa niet,

hij was heel dapper.”

En er viel nog een traan.

Die avond ging het meisje

nog even naar de tuin terug.

Ze raapte weer haar schepje op en zei:

“Dank lieve grond

dat jij mijn opa hebt bewaard.”

Toen sloot ze met haar voet

de omgewoelde aarde.

Ik ben de grond.

 

Jet Bulk, november 2014

verdun

De Wmo

Hendrik was een onaangenaam mens. Dat wist hij en dat vond hij niet erg. Zijn vader was eveneens uiterst onuitstaanbaar geweest en veel mensen hadden ook zijn moeder niet gemogen. Hendrik woonde in een soort cul de sac, een doodlopend stukje van een welvarende wijkje met huizen met vaandels voor als je thuis was en nogal kostbare auto’s voor de deur. Eigenlijk hoorde Hendrik daar niet: het huis was te groot en wellicht te duur, maar over het financiële wel en wee van Hendrik was niemand echt op de hoogte. Niemand wist sowieso veel van hem, behalve dat hij daar woonde en dat hij een onaangenaam mens was.

Nu zijn jaren tot respectabele hoogte waren geklommen en hij – voor zover de buurt dat kon vermoeden – nog steeds voor zichzelf zorgde, had op een dag de gemeente zich over hem ontfermd.

Hem werd te verstaan gegeven dat een lid van het sociale wijkteam een keukentafelgesprek met hem zou komen voeren. Over hoe het met hem ging, of hij voldoende voor zichzelf kon zorgen, en wat hij nog wel en niet kon en dat soort dingen. De bijgaande folder sprak van sociale betrokkenheid en participatie.

De vrouw was gekomen en had zich als een zuster opgesteld. Deze meegaande betrokkenheid zelve had eerst getracht Hendrik te doen vertellen wat hij in zijn leven had gedaan, hoe hij zijn geld had verdiend en of hij over veel spaargeld beschikte. Hendrik ontweek elke vraag, antwoordde soms met tegenvragen en deed daarmee een stevig beroep op de standvastigheid van het sociale zusterschap van zijn bezoekster. Hendrik genoot.

Toen kwamen zij te spreken over zijn persoonlijke verzorging. Waste hij zich wel goed?

De gedachte aan een jonge wijkverpleegster die hem twee maal per week eens lekker zou komen wassen sprak hem wel aan, maar dat kon de sociale vrouw niet zomaar toezeggen. Heeft u geen familie die voor u kan zorgen? Hendrik knikte ontkennend en probeerde een droevige blik op te zetten.

Vrienden in de buurt? Wanneer u mensen weet die u wel zouden willen helpen, noem ons die dan, dan gaan wij dat wel voor u regelen, etc. etc.

Het gesprek duurde nog wel een uur en ze spraken over van alles. Het sociale wijkteam had kennelijk nog niet zijn juiste werkwijze gevonden.

Het duurde een dag en een nacht, toen had Hendrik zijn plan klaar. Hij trok een net pak aan, van ouderwetse snit met vlinderdasje, en drentelde naar huisnummer 9. Hij had zelfs de volgorde van zijn bezoeken minutieus gepland.

Natuurlijk, komt u verder mijnheer…Hendrik.. zal ik maar zeggen he? Ze giechelde zenuwachtig. Na enkele stiltes die Hendrik bewust liet vallen vroeg hij: Uw man is er niet?  Ze lachte weer: Nee, au travail he? Hendrik knikte.

De gemeente heeft mij gevraagd om op te geven wie uit de wijk in principe bereid is een klein stukje van mijn persoonlijke verzorging op zich te nemen. Dat is nieuw en nogal dwingend neergelegd in de Participatiewet.

Haar ogen kregen iets benauwds, maar zij besloot niets te zeggen. Haar kapsel zat in een blonde wrong en Hendrik vond dat zij te veel goud droeg voor het uur van de dag.

Twee keer twee uurtjes per week moet genoeg zijn. Door u, samen of afgewisseld met een vriendin.

De vrouw was nauwelijks nog in staat om te luisteren. Hendrik had het over menselijke medeverantwoordelijkheid, over het klaarstaan voor een ander en..

Zij zocht naar woorden en had het weifelend over bestuurslidmaatschappen en sociale verplichtingen. En terwijl Hendrik net was gaan uitleggen waarom het wassen van zijn edele delen zo belangrijk was, verzuchtte de vrouw de woorden waar Hendrik op had zitten wachten: ik kan het niet, ik heb geen tijd.

Het was even stil. Toen zei hij: maar u heeft toch ook nog een dochter, zo’n jonge meid met die blonde paardenstaart?

Het was alsof er iets brak in de vrouw. Hendrik ging verder en had het nog over een lauw ingezeept washandje voor door de bilnaad.

Ten einde raad en met hoogrode konen vroeg de vrouw of er geen andere oplossing was.

Ja, zei Hendrik, dan moet ik de zorg zelf inkopen, want de gemeente moet bezuinigen.

Toen liep het gesprek ineens veel vlotter. Er werd een geldbedrag van enkele honderden euro’s overeengekomen, dat mevrouw dezelfde middag nog aan Hendrik zou overmaken. In ruil zou hij haar, zijn lieve buurvrouw van nummer 9, niet noemen als mogelijke zorgkandidaat. Ja, ja, dat was zekere afdoende.

Terwijl Hendrik ten afscheid zijn hoed optilde, dribbelde hij het erf van nummer 9 af.

Eerst thuis maar eens een kopje thee gaan zetten. Vanmiddag naar nummer 16.

naamloos

Andante Cantabile

Eerst zouden we wèl gaan en toen zouden niet gaan en toen uiteindelijk gingen we toch. We hadden al lang geleden hiervoor kaartjes in huis, maar ik wist niet meer wat de aanleiding was geweest om ze te kopen. Uit een oud gevoel van opvoeding en van hoe het hoort, besloot ik me netjes aan te kleden. Het is per slot van rekening een concert. Een klassiek concert. En ook nog wel in een van de mooiste muziektempels van de stad, weliswaar in de kleine zaal, maar toch. A. wist zeker dat ze van de strijkkwartetten zou genieten. De samenstelling van het programma was niet die van mijn favoriete avond, maar ik was ook wel nieuwsgierig. Er waren veel mensen, ook bekenden en langzaam vulden zich de rijen. Op het podium stonden de stoelen en de lessenaars, waarschijnlijk precies zo opgesteld als de leden van het kwartet hadden aangegeven.

Toen de kroonluchters dimden dacht ik – zoals bijna altijd als ik dat zie – aan een moment, een mensenleven geleden, waarop ik de jonge, net benoemde technische ploeg van ons nieuwe theater uitlegde dat bij een klassiek concert het zaallicht niet helemaal uit mocht, maar zwak moest blijven branden. Ik ben zelf mee de zaal ingelopen om aan te geven hoe veel. ‘Op hoeveel staat ie?’ riep de een; ‘Tien,’ riep de ander vanuit de lichtcabine.

De kroonluchters waren ook hier ‘op tien’ gekomen en vier musici kwamen op, instrument onder de arm, een lichte buiging. A. keek blij, verwachtingsvol. Ze zag er mooi uit, met opgestoken haar.

De muziek zette stevig in, de spelers, nog jong, waren enthousiast. Zelf musiceren maakt blij wist ik uit ervaring. Ook zij waren blij, zag ik en ik probeerde vat te krijgen op de structuur van het eerste deel. Thema, herhaling, doorwerking, variatie. Ook de componist was jong toen hij het schreef, begin dertig had ik gelezen. Wat ik niet las maar nog ergens van wist, is dat hij niet gelukkig was, in zijn land niet de erkenning kreeg die hij in het mondaine Europa wel voluit ondervond. De worsteling met zijn sexuele geaardheid die in zijn tijd niet werd geaccepteerd, wordt steeds met een zekere hardnekkigheid genoemd als de reden van zijn zelfgekozen dood.

Geschuifel en gekuch. Een buurvrouw van vier huizen verderop glimlachte naar me. Toen zette het kwartet het tweede deel in. Al in de eerste maat schoot de ontroering in mijn lichaam, ik geloof dat mijn schouders schokten. Ik kende deze muziek, maar wist niet meer waarvan. De trage melodie raakte mij diep en vervoering nam bezit van mij. Het was of ik mijn zorgen, benauwenis en angst mocht afleggen, niets was nog belangrijk. Alsof ik mij mocht overgeven aan wat tot mij kwam. Harmonisch zo perfect in zo’n sublieme eenvoud. Ik kon mijn tranen niet langer tegenhouden en deed mijn best om in ieder geval heel stil te blijven zitten. Ik werd opgetild door de klanken en de harmonieën daalden diep in mijn ziel. Ik hoorde de liefde, de menselijke warmte en de troost. Ja, vooral de troost, in het zicht van de eeuwigheid.

Ik weet niet hoelang het duurde, maar toen de kroonluchters oplichtten maakten mijn tranen ze tot een duizendvoud van kleine lampjes. A. boog zich naar mij toe, zei niets en legde een hand op mijn arm. Ik was gelukkig.

Pjotr Iljitsj Tsjaikovski (1840 – 1893) Strijkkwartet No 1 in D opus 11 (1877) deel 2: Andante Cantabile

Tsjaikovski

De tent

‘Je moet je wel een beetje aankleden, hoor. Stephanietje komt straks.’
‘Oh ja,’ zei ik, ‘de tent’.
Stephanie, onze kleindochter, ging dit jaar voor het eerst met haar nieuwe vriendje kamperen.
En hadden opa en oma niet nog een tent? Ja, dat hadden wij. Ja, hoor, dat mag wel. Kom hem dan maar ophalen.
A. zette een kop koffie voor mij neer, zeker een uur vroeger dan anders.
‘Je moet echt zorgen dat je straks niet nog in pyjama rondloopt, hoor. Haar vriend komt ook.’
Ik roerde in mijn koffie. Ik had vroeger ook gekampeerd. A. en ik, in Frankrijk.
Ik herinnerde me ook dat ik met mijn vriendje Martin ooit ook eens een gebruikte tent mocht ophalen. Bij een oudoom in Zoetermeer.
Terwijl ik A. de trap op hoorde gaan, schoot ik als het ware in een herinnering. Zoals zo dikwijls, trouwens. We zouden samen naar Zeeland gaan, Martin en ik, op de brommer.
Oom Rob en tante Machteld woonden in een brede, stille achterafstraat in het oude dorp, vanaf de bushalte hooguit vijf minuten lopen. Ze waren in mijn ogen verschrikkelijk oud en het was mij een raadsel hoe zij in het bezit van een tent konden zijn.
Martin en ik moesten mee naar de zolder. ‘Tante Machteld’ zou koffie voor ons zetten en scharrelde wat achter haar granieten aanrecht.
‘Kijk,’ zei oom Rob en hij trok een witte linnen zak uit een hoek. ‘Ga eens opzij.’
Hij peuterde aan de knoop en even later schoof er een muf ruikend wit geheel naar buiten dat hij op de vloer van de zolder uitspreidde. Het rook niet alleen muf, maar er zaten ook vage grijze vlekken in.
Uit een tweede zak, die oom Rob eerst nog uit zijn handen liet vallen, kwamen houten tentstokken tevoorschijn, met koperen bussen om de delen in elkaar te schuiven. Toen een zak houten haringen.
‘Het is zaak die altijd goed droog weer op te bergen,’ zei hij, ‘anders gaan ze er aan.’
We knikten beleefd en zonder iets te zeggen, want dat durfden we niet, wisten Martin en ik dat wij nooit en te never in deze tent zouden slapen.
Martin had nog het lef om te vragen of dit allemaal nog van voor de oorlog was en mompelde er snel iets van ‘degelijk’ achteraan.
‘Ja, tante Machteld en ik hebben er heerlijke tijden mee gehad.’
Oom Rob begon op te noemen waar het tentje allemaal had gestaan. Zwarte Woud, Schouwen Duivenland en waar al niet. Ik kon niet luisteren.
Ik wist zeker dat ik deze tent nooit zou gebruiken, je zou je belachelijk maken met zo’n museumstuk.
Toen ging oom Rob verder snuffelen en kwam even later met een primus, nog in de oorspronkelijke kartonnen doos.
‘Kijk,’ zei hij ruimhartig, ‘die mogen jullie ook meenemen.’
Verder weet ik het allemaal niet zo goed meer, behalve dat er een vel op de koffie lag en dat het, terug naar het station, nog best een gesjouw was. Diezelfde week nog kochten Martin en ik bij V&D een tentje.

‘Kom maar mee naar de kelder,’ zei ik. Stephanietje was schattig als altijd en haar Remco was een lange slungel die steeds als hij wat gezegd had – als hij al wat zei – een beetje grinnikte. Ook als hij niets gezegd had, viel me op.
In de kelder trok ik met Remco ‘help eens even’ de immense tentzak tussen dozen, tassen en in onbruik geraakte meubels vandaan. Daar was ie dan, maar ik liet de zak gesloten. ‘Alles zit erin, hoor, kijk thuis maar na.’ A. en ik hadden hem zeker vijfentwintig jaar geleden gekocht, ultramodern met kunststof stokken die het geraamte vormden.
‘Zit er allemaal bij in’ zei ik tegen een grinnikende Remco, ‘gekocht toen jij nog niet geboren was.’
Stephanietje kuste ons ten afscheid met wel drie keer ‘dank je wel, Opa’. Remco tilde het geheel op zijn schouder als een matroos die ging aanmonsteren. ‘Veel plezier.’ Het zal me benieuwen, dacht ik.
‘Heb je nog gezegd dat ze hem weer terug moeten brengen,’ vroeg A. later, bij nog een kopje koffie.
Ze wachtte even. ‘Hoewel,’ ze kwam bij me staan. ‘Wij zullen wel nooit meer gaan kamperen, hè?’
‘Dit jaar niet meer,’ zei ik. We keken elkaar aan en A. had pret in haar ogen. ‘Nee,’ zei ze.
de tent

“Waar groene wijngaardloof ooit lauwe muur beminde”

Ik houd van deze man, van deze dichter, deze Amsterdammer, die – tegen de literaire conventies van zijn tijd in – geen hoogdravende taal gebruikte, maar in alledaagse woorden een getrouw beeld gaf van wat hij zag en wat hem bezighield. Hij groeide op aan het einde van de zestiende eeuw in de Nes, naast de zaal van rederijkerskamer d’Egelantier (boven de vleeshal), waarvan hij enthousiast lid was en waarvoor hij veel geschreven heeft.
De geschiedschrijving heeft Gerbrand Adriaensz. Bredero niet altijd recht gedaan; te dikwijls is hij slechts afgebeeld als een drinkebroer, een vrolijke Frans, die in de Amsterdamse binnenstad de meisjes wel wist te vinden. De wijze waarop hij nog in de twintigste eeuw als romanfiguur is opgevoerd (H. Marsman, A.M. de Jong), heeft deze vertekening alleen nog maar bevestigd. Hij was – als persoon en als dichter – veelzijdiger dan dat.
Zijn vader was schoenmaker, let wel, ‘maker’, geen schoenlapper dus, en wel voor en binnen de gegoede kringen van Amsterdam. Misschien wel daardoor genoot Gerbrand een goede opleiding, hij beheerste het Frans, het Engels en het Latijn. Aanvankelijk meende hij schilder te moeten worden, maar hij werd schrijver en dichter met een – gezien zijn korte leven (1585 – 1618) – relatief groot oeuvre van vijf kluchten, vijf blijspelen, vijf treurspelen en een groot aantal gedichten. Rond 1616 is hij hierdoor alom bekend en maakt hij kennis met de groten van zijn tijd, met mensen als P.C. Hooft en Hugo de Groot.
Belangrijker dan zijn spelen (Moortje, De Spaanse Brabander) zijn misschien nog wel zijn gedichten.
Hij was een romanticus, dikwijls verliefd, zonder zich blijvend te kunnen binden. Een aantal van deze liefdes heeft de mooiste regels uit onze Renaissancepoëzie voortgebracht. Hij kon, te verliefd om te gaan slapen, door nachtelijk Amsterdam zwerven, onder haar raam voorbijgaan, waarachter de lichten al uren waren gedoofd:

’s Nachts rusten meest de dieren
Ook mensen goed en kwaad
En mijn lief goedertieren
Is in een stille staat
Maar ik moet eenzaam zwieren
en kruisen hier de straat.

Het betrof hier waarschijnlijk zijn diepe liefde voor Maria Tesselschade Roemers Visscher. Een onbereikbare liefde want, hoewel goed opgeleid en bekend bij grote namen, had hij in het snel rijk en machtige wordende Amsterdam van die jaren door zijn middle-class achtergrond maar moeilijk toegang tot de hogere kringen waartoe hij zo graag wilde behoren.
Bredero was vooral een veelzijdig dichter. Hij maakte volkse rijmen, amoureuze, maar ook religieuze gedichten. Ten onrechte is wel geopperd dat deze genres de ontwikkelingslijn van zijn schrijverschap markeren, dat hij aan het einde van zijn korte leven, misschien door ziekte ingegeven, religieuze werken is gaan schrijven. Dat is onjuist en voor een deel te wijten aan uitgever Van der Plasse die in 1622 veel van Bredero’s gedichten aldus gecategoriseerd samenbracht in de bundel: Boertigh, Amoreus en Aendachtigh Liedboeck. In werkelijkheid schreef de jonge Bredero, barstensvol talent en naar gelang zijn stemming, de meest devote verzen naast de heerlijke boertigheden, bijvoorbeeld over een groep vrienden die op reis gaat naar de oude Frans in Vinkeveen, omdat die zijn gans gaat slachten:

Arend Pieter Gijsen, mit Mieuwes, Jaap en Leen,
en Klaassie, en Kloentje, die trokken t’samen heen,
naar ’t darp van Vinkeveen,
wangt ouwe Frangs, die gaf z’n gangs,
die worde of ereên.

En er gebeurt vervolgens van alles, welhaast elke menselijke zwakheid komt aan bod, om te slotte alles relativerend te eindigen met:
En drinkt met mijn een roemer wijn,
Dat is jou wel zo goed.

In de winter van 1617-1618, terugkomend van een begrafenis in Haarlem, zakt Bredero met slee en al door het ijs. Waarschijnlijk zal ook hier de sterke drank wel een rol hebben gespeeld. Dikwijls wordt dit ongeval direct in verband gebracht met zijn overlijden in 1618. Dit is eigenlijk niet juist, hij moet hier snel van bekomen zijn want in dat voorjaar is hij behoorlijk productief.
En dan krijgt de liefde voor een tweede maal hevig vat op de dichter: Magdalena Stockmans, de mooie negentienjarige die nog datzelfde jaar trouwt met een Antwerpse koopman en vervolgens naar Napels verhuist.
Er is veel gespeculeerd over de plotselinge dood van Bredero. Romantische geesten beweren dat zijn hopeloze liefde voor Magdalena direct in verband moet worden gebracht met dit veel te vroege einde; hij was 33 jaar. Auteurs die Bredero’s laatste, onvoltooide werk ‘Angeniet’ hebben geanalyseerd (voltooid door Starter), sluiten dit evenwel niet uit.
Misschien is Bredero wel op zijn best in zijn liefdespoëzie. Voor een zestiende-eeuwer is het opmerkelijk hoe raak en mooi hij, nu nog in onze ogen, – wat hij zag en voelde – kon beschrijven: het jonge meisje, dat ’s morgens vroeg, gezeten op de dorpel van haar keukendeur, haar geelblonde haar aan het doen is, in een decor van wijnranken, die zich als verliefd hebben gehecht aan de zonverwarmde muur.

Ik houd van deze man, van deze dichter, deze Amsterdammer, wie hem aandachtig leest zal mij begrijpen.

Vroeg in de dageraad de schone gaat ontbinden
de gouden blonde tros citroenig van koleur,
gezeten in de lucht recht buiten d’ achterdeur
waar groene wijngaardloof ooit lauwe muur beminde.

Bredero
1585 – 1618
(fragment Sonnet: Vroeg in de dageraad)
G.A. Bredero, De groote bron der minnen, 1622
220px-Gerbrand_Adriaensz._Bredero
FH 5-7-2014